De aardappel, een verborgen schat

Aardappelen en taal

Patat (mep)
Patat zijn (stomdronken)
Patatneus (dik & gezwollen)
Een voze patat (een muf en stijlloos iemand)
Een mens is geen patat (hij wil wel eens iets)
Patattenzak (te wijd en vormloos kledingsstuk)
Patatten in de sokken hebben (gaten)
Patattenbloed hebben (bleek en ziekelijk zijn)
Ga patatten planten (loop heen)
In de patatten zitten (in de nesten zitten)
Zich in de patatten laten zetten (laten foppen)
Tussen de soep en de patatten (even tussendoor)
Een patatje meesteken (duit in ’t zakje doen)
We zijn nog niet aan de nieuwe patatjes (het ergste komt nog)
Dat moet gebeurd zijn in de tijd van de bleke blauwe patat (ongeloof)
Patatten met zure gezichten krijgen (onvriendelijk onthaal)
Meer kunnen dan patatten eten (handig of verstandig zijn)
Mijn oren zijn geen gebakken patatten (ik ben niet doof)
Eruit zien als een afgegoten patat (waterig, katerig)
Niet het zout op uw patatten verdienen (klein inkomen)
Hij zou de patatten van zijn gat laten schieten (een sul)
We geven er nog een goeie patat op (feestelijk einde)